een paar honderd miljoen jaar

een paar honderd miljoen jaar

Zolang is er maximaal nog leven op de aarde. Over 500 miljoen jaar is de straling van onze geliefde zon met ca. 4-5 procent toegenomen en zó allesverzengend dat de ozonlaag in no time vernietigd en al het water op de aarde verdampt zal zijn. Zonder water geen leven. Over ‘maar’ 200 miljoen jaar echter zal de zon al 1-2 procent sterker zijn dan nu en zelfs dat is al voldoende om het meeste leven op aarde te vernietigen.  Over 5 miljard jaar zal onze huidige gele zonnedwerg een rode reus zijn en ca. 250 zo groot als nu. Ze zal dan, na Mercurius en Venus, de aarde opslokken.
En dan is-ie weg.
Poefffff!!
Een balletje minder in ’t universum.
De zon implodeert van een rode reus naar een witte dwerg en klaar is kees.
Een zonnestelseltje minder in onze galaxie.
Over dit soort dingen denk ik eigenlijk vaak na. Te vaak misschien. Het maakt je leven, je zijn zó nietig. Het laat je voelen hoe onvoorstelbaar gigantisch groot alles om ons heen en hoe volledig irrelevant de mensheid als zodanig is. Goed, die mensheid gaat sowieso 21 december dit jaar alweer ten onder, maar laten we er – puur theoretisch – even vanuit gaan dat er een paar overleven en het menselijk leven op aarde toch nog een paar jaar langer voort blijft bestaan. Je dan te realiseren, dat over 200 miljoen jaar alles sowieso afgelopen is, is toch raar. En als je bedenkt dat de aarde grof genomen al zo’n 4,6 miljard jaar oud is, is 200 miljoen jaar een schijntje… Een aardkloot met duidelijke uiterste houdbaarheidsdatum.
Áls deze hele stellage door (een) God gecreëerd zou zijn, dan heeft-ie toch echt wel mooi wat verkeerd gedaan met die sterren die uitgroeien en dan exploderen… OK, hij heeft deze keer mooi kunnen oefenen, maar bij een eventuele volgende schepping moet-ie dat denk- en bouwfoutje toch echt nog wel corrigeren, zo zonde van al dat werk… Men moet natuurlijk ook bedenken, dat volgens theologische bijbelberekeningen de aarde pas ca. 5.500 jaar geleden geschapen is en met dat tijdsbestek lijken 200 miljoen jaren toch nog een hele hoop.

Je eigen nietigheid beseffen is op zich niks ondeugdelijks. Weten dat je minder dan een stofje bent in het universum maakt het relativeren namelijk weer een stuk makkelijker.

Hóe kun je je als mens voorstellen dat het universum zich uitbreidt? Wat is dan daar, waarheen het zich uitbreidt? Daar is niks. Hoe kan het dan daarheen uitbreiden? Is de theorie van een multiversum mogelijk? Bestaan er meerdere universa naast elkaar en zo ja, botsen die dan ooit op elkaar? Wat is het uiteindelijke lot van het universum? Sturen we op een Big Rip met een eindige kilte of een Big Crunch met een grote eindkrak aan? Of is het universum toch een “vlak iets” dat oneindig lang blijft uitdijen? En waaruit is dat dan zo’n 14 miljard jaar geleden in vredesnaam ontstaan, als daar vóór die tijd niks was?
Het universum zó onvoorstelbaar groot… Berekeningen laten zien dat het “zichtbare” heelal een diameter van 93 miljard lichtjaar heeft, en een volume van 3 x 1080 m3. Een 3 met 80 nullen.  Slik…  Het bestaat uit triljarden hemellichamen: het ons bekende universum bevat (minstens!) 10.000.000.000.000.000.000.000 sterren. Stérren dus. Daar zweven nog planeten, manen en asteroiden en allerlei kleiner gespuis tussendoor. Er zijn – héél grof geschat – zo’n 100 miljard galaxien die op zich weer honderden miljarden zonnestelsels als het onze bevatten. Onze galaxie, de Melkweg, is zo’n 100.000 lichtjaar in doorsnee. De dichtstbijzijnde ster (Alfa Centauri) in ons buurzonnestelsel (Proxima Centauri)  is dik 4 lichtjaar van ons vandaan. Dat betekent dat het licht meer dan 4 jaar erover gedaan heeft om van die ster tot ons te komen. Meer dan 38,000.000.000.000 kilometer ver weg. Achtendertig biljoen kilometer. En dat is dan het dichtstbijzijnde zonnestelsel. De sterren die wij ‘s-nachts zien, liggen allemaal nog binnen onze eigen galaxie. Sterren van andere galaxien kunnen wij zo niet zien. En het licht van de sterren die ver weg staan heeft er dus misschien wel 50.000 jaar over gedaan om op de aarde terecht te komen. Op het moment dat wij het licht van een ster zien, kan die ster al lang geëx- resp. geïmplodeerd en tot een witte dwerg verworden zijn…
Als ik naar de sterren kijk en me voorstel wat daar nog weer achter ligt, waar al datgene uit ontstaan is (namelijk uit ’t niets), me voorstel dat de sterren die ik zie, er misschien al lang niet meer zijn en me indenk hoe het zich verder zou kunnen ontwikkelen, dan duizelt het me. Het is té groot. Te groots. En ik voel me een stofje in de neus van een mammoet. Een druppel in grootste oceaan. Nietig. Waarom ben ik hier? Waarom ben ik een mens zoals ik ben? En ik kan maar één ding denken:
“maak je niet zo druk over die paar kilo teveel,
over dat hardnekkige haartje op je kin en die pukkel op je neus.
Ga doen wat je altijd al wilde doen
want de enige voor wie dat relevant is, ben je zelf.
Een andere zin is er niet…”

Há, lekker 🙂

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *